Bijbelse voorspoed in perspectief

Bijbelse voorspoed, er is nogal wat discussie over. Mooi om er even in te duiken..

10/10/20264 min lezen

Als ik christenen hoor praten over Bijbelse voorspoed, zie ik eigenlijk drie kampen. Het eerste kamp heeft een soort allergie voor voorspoed: rijkdom, succes of overvloed wordt bijna automatisch verdacht, alsof het een teken is van wereldgelijkvormigheid in plaats van een mogelijke zegen. Denk aan de christen die zich schuldig voelt over een dure vakantie, of die succes stiekem wegwuift met "het stelt niets voor" omdat welvaart hem niet geestelijk lijkt.

Het tweede kamp doet het omgekeerde: daar wordt voorspoed zelf het doel. Geloof wordt ingezet als een soort hefboom om welvaart te verkrijgen, en wie voorspoedig is, heeft daarmee bijna bewezen een goede christen te zijn, terwijl wie het moeilijk heeft impliciet iets verkeerd doet.

En dan is er een derde kamp, laten we het het kamp van de rentmeesters noemen, dat weigert in beide kuilen te vallen. Rentmeesters ontvangen voorspoed zonder schuldgevoel én zonder haar tot doel te maken, omdat ze haar vooral zien als iets wat je beheert namens een Ander, niet als iets wat je bezit of verdient.

Die derde positie is minder comfortabel dan de twee uitersten, omdat ze geen vaste regel geeft maar een levende spanning vraagt om vast te houden. Voorspoed in de Bijbel is namelijk nooit een doel op zich, het is een middel. Om dat goed te doordenken moet eerst een misverstand weg: "voorspoed" (Hebreeuws shalom) betekent oorspronkelijk niet primair "rijkdom", maar heelheid, een leven dat klopt in relatie tot God, de ander en de wereld (Jeremia 29:7,11). Materiële zegen is daar soms een uitdrukking van, maar niet de kern ervan. Dat onderscheid is precies het uitgangspunt van de rentmeester: het weerlegt in één beweging zowel de allergie van het eerste kamp als de vergoddelijking van het tweede. Voorspoed is niet per se verkeerd, maar het is ook niet het wezen van zegen.

Voordat we over beloning spreken, is er eerst theologische scherpte nodig: elke gave zelf is al genade. Paulus stelt het scherp: "Wat heb je dat je niet ontvangen hebt?" (1 Korintiërs 4:7). Iemand die hard werkt en daardoor vooruitgang boekt, verdient dat niet in de klassieke zin van het woord, het is vrucht op een gave die al gegeven was. Wie dit loslaat, glijdt onbedoeld af naar een prestatietheologie waarin God bijna een schuldenaar wordt van onze inspanning, als een soort automaat die welvaart uitkeert bij genoeg geloof of inzet, en dat is precies waar het tweede kamp misgrijpt.

De Reformatorische traditie, van Calvijn tot Kuyper met zijn nadruk op arbeid als roeping, benadrukt daarom steeds hetzelfde: werk is antwoord op gave, niet de bron ervan. Dat is de houding van de rentmeester in de kern: hij bouwt, maar weet wiens kapitaal het is.

Kijk naar Jozef. Zijn gave om dromen te duiden en zijn bestuurlijk inzicht brachten hem aan het hoofd van Egypte (Genesis 41:41-43), maar die positie was functioneel, niet finaal. Zijn eigen duiding maakt dat glashelder: "God heeft mij vóór u uit gezonden om u in het leven te behouden" (Genesis 45:7). Elke stap die hij omhoog zette, diende een reddend doel en nooit zijn eigen status. Jozef is misschien wel het duidelijkste voorbeeld van een rentmeester: hij neemt de macht die hem gegeven wordt volledig aan, zonder schuldgevoel, maar beheert haar ten dienste van iets groters dan zichzelf. Zijn voorspoed was dus geen wereldgelijkvormigheid, zoals het eerste kamp zou vrezen, maar geestelijke vrucht met een richting.

Diezelfde lijn zie je bij Abraham. Hij was rijk aan vee, zilver en goud (Genesis 13:2), maar bleef, zoals Hebreeën 11:9-10 het later herduidt, in feite een tentbewoner die uitzag naar iets voorbij zijn eigen bezit: rijk in bezit, maar niet gehecht aan bezit. Bij Job wordt het nog scherper. Hij wordt de rijkste man van het Oosten genoemd (Job 1:3), en wanneer hij in één klap alles verliest, blijkt precies waar zijn identiteit werkelijk lag: "De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen" (Job 1:21).

Als voorspoed het bewijs van een goed christenschap zou zijn, zoals het tweede kamp suggereert, zou Jobs ellende dan bewijs zijn van het omgekeerde? De tekst zegt nadrukkelijk nee. Job overleeft dat verlies geestelijk juist omdát hij, net als Abraham, altijd al rentmeester was en geen eigenaar.

Salomo laat zien hoe subtiel het kan doorslaan, ook wanneer het begin volkomen zuiver is. Hij vroeg God om wijsheid, niet om rijkdom, en ontving beide (1 Koningen 3:11-13), een mooi voorbeeld van voorspoed die volgt op een juist verlangen, en aanvankelijk een schoolvoorbeeld van rentmeesterschap. Maar zijn latere geschiedenis (1 Koningen 11) toont hoe het middel geleidelijk het doel werd, hoe de rentmeester zichzelf langzaam tot eigenaar begon te promoveren. Prediker, vaak aan hem toegeschreven, leest bijna als zelfkritiek: "Wie geld liefheeft, wordt van geld niet verzadigd" (Prediker 5:9). Zelfs terechte, door God gegeven voorspoed is dus geen garantie tegen ontsporing. Het is niet de rijkdom zelf die daar de oorzaak van is, maar het hart dat haar draagt, en dus ook niet automatisch een vrijbrief zoals het tweede kamp zou willen.

Wat je in deze verhalen ziet, is precies waarom een simpele formule niet werkt, en waarom rentmeesterschap geen tussenpositie is die het gemakkelijker maakt, maar juist een positie die meer van je vraagt dan beide uitersten.

Bekwaamheid gaat aan voorspoed vooraf, zoals bij Jozef, maar die bekwaamheid is zelf al gave. Rijkdom blijft functioneel, gericht op doorgeven, zoals bij Abraham, in plaats van een bezit om aan vast te klampen. Identiteit ligt vóór en los van wat je hebt, zoals bij Job, anders houdt de test van welvaart geen enkele betekenis meer over. En zonder dat innerlijke ankerpunt ontspoort zelfs terechte voorspoed, zoals bij Salomo, omdat talent en zegen op zichzelf geen immuniteit bieden voor het hart.

Dit rentmeesterschap is dan ook wezenlijk iets anders dan het "prosperity gospel", waarin geloof instrumenteel wordt ingezet om rijkdom te verkrijgen, de valkuil van het tweede kamp. Maar het is evenmin de achterdocht die voorspoed bij voorbaat verdacht maakt, de valkuil van het eerste kamp. De volgorde is bij de rentmeester precies omgekeerd: een gave wordt ingezet, vruchtbaarheid volgt soms als zegen, en die zegen krijgt pas werkelijk betekenis wanneer ze weer wordt teruggegeven aan koninkrijkszaken in plaats van eigen bezit.

Een vraag om echt bij stil te staan: als je huidige voorspoed, in tijd, geld, invloed of talent, morgen zou verdwijnen, zou je fundament in Christus dan meeverdwijnen over overeind blijven staan?